Geert Lovink...We no longer collect the Carrier but the
Information...MM 8#1...Nederlands
Back to Title Page   |  
Table of Contents   |  
MM Magazine   |  
Mediamatic Home
.
.
-
Tjebbe van Tijen werd opgeleid als beeldhouwer en was actief in de happenings
midden jaren zestig in Milaan, Parijs en Londen. Daarna was hij actief in
kraak- en buurtgroepen in Amsterdam, vooral in de Nieuwmarktbuurt bij de acties
tegen de bouw van de metro. Zijn samenwerking met Jeffrey Shaw op het gebied
van environments, happenings en expanded cinema dateert uit 1964. De
samenwerking werd eind jaren tachtig weer hervat met het project Het
Imaginair Museum van de Revolutie (zie Mediamatic 3#4). In 1991
werd de firma Imaginary Museum Projects opgericht, gespecialiseerd in
interactieve multi-media installaties. Op dit moment wordt samen met Milos
Vojtechovsky gewerkt aan een installatie voor het in 1997 te openen
Medienmuseum van het ZKM in Karlsruhe, genaamd Orbis Pictus
Revised.
-
Vanaf 1973 werkte Van Tijen bij de universiteitsbibliotheek van Amsterdam op
het Documentatiecentrum Sociale Bewegingen, dat in 1990 overging naar het
Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). Het bevat een
honderdtal archieven en verzamelingen van personen en organisaties, plus een
verzameling van ondermeer 20.000 affiches, 4000 grammofoonplaten, 19.000
Amsterdamse pamfletten, boeken, tijdschriften en audio-visueel materiaal. Het
materiaal, variërend van undergroundbladen tot punkfanzines, beweegt zich
op het grensvlak van politiek, kunst en spiritualiteit. Hier zijn de archieven
van Provo, WISE, Simon Vinkenoog, The Next Five Minutes Tactical Television
Conference, Kosmos Meditatiecentrum en de poptempel Paradiso ondergebracht.
.

.
-
GL Welke opslagmedia gebruikten bewegingen rond de jaren zestig en wat is
daar nu nog van over in de archieven?
-
TVT In het meer traditionele verenigingsleven hield de secretaris de
correspondentie bij, de kaartenbak met de leden, de financiële
administratie en boekjes waarin de distributie werd aangestreept; die zijn vaak
bewaard gebleven. Tijdschriften zijn ook wel bewaard, maar andere uitgaven van
actiegroepen vind je niet geordend in de archieven terug op het moment dat die
in bananendozen worden aangeleverd. De affiches ontbreken al helemaal. De
geluidsbanden die nog bestaan werden gebruikt voor het notuleren, niet voor de
radio. Fotografische documentatie is heel zeldzaam. Het afdrukken van een foto
was duur, de reproduktie-mogelijkheden waren vrij beperkt. Een blad als
Provo stelde grafisch gezien niet veel voor, ook al wordt naderhand die
indruk wel gewekt. Er wordt van alles aan Provo toegedicht, zoals de
fantastische vormgeving. Het lijkt wel een jeugdherinnering, zoals `die hele
grote boom bij ons huis'. Wat wel experimenteel was in die tijd, zoals
Ontbijt op bed uit Maastricht, krijgt minder aandacht.
-
Het werk van fotografen die bij deze bewegingen betrokken waren kon niet in de
eigen pers worden opgenomen. Het meeste werk bleef liggen. Heel bekend is een
fototentoonstelling geweest van Provo op de Prinsengracht waarbij een
rel uitbrak, waar weer foto's van zijn. Pas met de komst van offset worden de
reprodukties beter, daarvoor had je alleen loodzetsel of stencil. Een
primitieve tussenvorm was de vloeistofduplicator op basis van alcohol, met van
die blauwe lettertjes. (noot_1) De esthetische stijl werd in hoge mate
bepaald door de kosten. Foto's werden louter uit economische overwegingen
keihard afgedrukt, omdat je dan geen duur raster hoefde te laten maken. Later
komt de fotokopie op, wat in het begin nog een echt fotografisch
procédé was.
-
Iedereen bewaart natuurlijk de kranteknipsels, dat beschouwt men als
documentatie. Niet de eigenlijke actie maar het verslag ervan door anderen
wordt bewaard en dat gebeurt tot op de dag van vandaag. Men schijnt zich niet
bewust te zijn van de aard van de bronnen. De weerslag in de burgerlijke pers
wordt gezien als de documentatie van de eigen beweging. Maar waar is de
primaire bron? Dat zijn de registraties van het moment zelf en die zijn
zeldzaam. Iemand kan iets opschrijven. Journalisten doen dat, soms zijn er
notulen van vergaderingen, je hebt literaire impressies, foto's en
geluidsopnamen en soms een tekening. Filmen was te kostbaar. Cineclub vertoonde
wel films maar ging pas later zelf films produceren. Er waren opwindcamera's,
nog uit het Amerikaanse leger. Er zit vrijwel nooit geluid bij, omdat dat apart
moest worden opgenomen. Het was moeilijk en duur om het geluid synchroon te
krijgen. De latere verbreiding van de cassetterecorder betekende een doorbraak,
maar die werd vooral gebruikt voor de vergaderregistratie. Met die
geluidskwaliteit kon je bij de radio niet aankomen.
.

.
- Wanneer is het verzamelen bij jou begonnen?
-
Samen met Robert Hartsma begon ik in 1967 met een project voor een
`Documentatiecentrum voor kunst, technologie en samenleving'. Dat was voor mij
het begin om de eigen handelingen en die van anderen te registreren. We
begonnen met een onderzoek naar wie daar zich in Nederland mee bezighield. Met
de komst van actiegroepen kwam ook het idee op van het netwerken, adressen en
bladen uitwisselen, een federatief verband, zonder organisatie van bovenaf. Ik
noemde mezelf in die tijd `cultureel coördinator'. In diezelfde periode,
toen ik voor het Stedelijk Museum materiaal verzamelde, ontstond in de VS,
Engeland en Duitsland een beweging voor een kritische universiteit die
scholingsteksten, overdrukken uit tijdschriften, op stencil verspreidde.
Adorno, Horkheimer en Marcuse waren niet in boekvorm verkrijgbaar. Er
verschijnen dan ook de eerste persanalyses die bijvoorbeeld rond Vietnam en de
Olympische Spelen in Mexico zelf iets gaan doen met de knipsels.
-
Tijdens de Nieuwmarktacties zie je dat er een georganiseerde vorm van
informatieverspreiding ontstaat. Er was een stencilsysteem zodat pamfletten
opnieuw konden worden verspreid. Hoe meer die actie zich verdichtte, hoe meer
het nodig was om terug te grijpen op een van de honderden pamfletten, iets wat
nu met kopieermachine gedaan wordt. Ook andere media werden gebruikt, zoals
piratenradio als Sirene en Radio Mokum, een film van Cineclub en een
antwoordapparaat waarop elke dag het laatste nieuws te horen was. Er ontstond
een haat-liefde verhouding met de gevestigde media. Moesten we daar helemaal
buiten blijven en eigen structuren opbouwen of er aan deelnemen?
(Noot_2)
-
De tijd is voorbij dat de jaren zestig verbonden worden met de politieke
desillusie van die generatie. Nu komt het flower-power image naar voren. Is het
een kenmerk van die tijd dat politiek en cultuur in elkaar overlopen?
-
De bewegingen van toen kan je niet zomaar in aparte vakjes plaatsen, zoals de
Ban de Bombeweging, Provo, de Vietnambeweging. Het waren vaak dezelfde mensen
die in verschillende groeperingen actief waren. De invalshoek aan het begin kon
anders zijn, zoals de anti-kernenergie beweging, die uit de antroposofische
hoek komt en via de Kabouterbeweging zich uitbreidt. De Diggers, radicale
anti-geldgroepen, beginnen Fantasio, wat een kwart eeuw later eindigt in de
cursussen `spiritueel management' in gebouw De Kosmos. Flower-power is in de
zomer van `67 even een melting pot, waarin politiek en cultuur in elkaar
schijnen over te gaan. Provo, het politieke, heft zich dan op, er zijn speakers
corners, love-ins en demonstraties tegen de oorlog. Je ziet op pamfletten van
de Vietnambeweging bloemetjes getekend, iets wat je daarvoor niet zag en ook
niet terugkeert, en de Jonge Socialisten verruilen de gebalde vuist ook voor
bloemetjes. Daarna krijg je het jeugdtoerisme in Amsterdam, het slapen op de
Dam en in het Vondelpark, waarbij ze al op zoek zijn naar een paradijs dat niet
meer bestaat. Voor de media is dat tegenwoordig te complex om weer te
geven.
.

.
-
Er worden andersoortige concerten georganiseerd met films die door elkaar heen
worden gedraaid, diaprojecties en acts, multi-
media avant la lettre. Overal in het land had je Provadya-clubs. Je had
vloeistof-projecties, er liep een 8-mm film en mensen zaten op instrumenten te
prutsen, en dat alles tegelijkertijd. Bij de happenings waren er geen regels en
kon iedereen meedoen, een echt interactief gebeuren, heel anders dan de nette
performances in de kunstgaleries en musea later.
-
De komst van de eerste Sony-portapacs betekende een doorbraak omdat je iets
dat je opnam direct kon afspelen. Film was een traag proces, plus dat de
kopieën duur waren. Daarvoor, rond `68, loste men dit op door het vertonen
van de rushes. Een voorbeeld is de Franse film La reprise du travail chez
Wonder, een discussie bij de ingang van een fabriek voor batterijen bij de
werkhervatting na de grote staking. Dat is één take, met een rol
film opgenomen, zonder montage. Dat was voor ons een openbaring. Met het medium
zelf werd al langer geëxperimenteerd zoals in de Amsterdamse
Kriterionbioscoop tijdens het Cinestudfestival. In `66 werd daar een film
vertoond, gemaakt zonder lens, en gekrast in de soundtrack. Dat kenden we van
de Canadese kunstenaar McLaren, die direct op de film schilderde en veel verder
ging dan de actionpainting. Dat liep over in de expanded cinema. Op het eind
van Provo verplaatste de happening zich van de straat naar wat de voorloper van
het latere Paradiso was, een door de gemeente ter beschikking gesteld slooprijp
theater, de Apollobioscoop in de Haarlemmerstraat. Remko Scha spande daar
touwtjes terwijl ik wetboeken aan het strijken was en een continue tekening
maakte. Niet veel later verwijderden kunst en politiek zich weer en trad er een
ideologisering op van de verschillende kampen. In het maoïsme konden zich
veel radicale katholieken vinden, vanwege z'n anti-culturele houding. Die
tegenstelling uit zich in verstoringen van gevestigde culturele manifestaties.
Tegelijkertijd ontstaat er ook een kritiek op de zich snel ontwikkelende
commercialisering van de alternatieve cultuur, van High in RAI,
Flight to Lowland Paradise tot het definitieve eindpunt in het
popfestival Kralingen in Rotterdam. De discussie spitste zich daarna toe op de
vraag van de toegangsprijs van de grote festivals die dan komen. Er komen
groepen die proberen gratis naar binnen te komen en dan krijg je vechtpartijen,
iets wat tot op de dag van vandaag speelt.
-
Wie heeft de copyrights van de jaren zestig in handen?
-
Voor de foto's ligt dat bij fotografen, fotoarchieven en persbureaus. Er is nog
veel materiaal bij makers zelf en voor een deel in archieven, met name bij de
volstrekt ontoegankelijke omroeparchieven van het NOB. Ik maak nu een
inventarisatie van foto's uit de jaren zestig in Nederland. Geen boek, want dan
heb ik slechts 200 foto's, maar op videodisk waar tienduizenden stilstaande
beelden op kunnen. Het gaat mij om de grote variëteit. Maar dat komt
moeilijk van de grond. Het copyright is obsoleet geworden en daarom wordt er zo
hard gevochten om het in stand te houden. Er worden foto's verkocht waarop
mensen staan die daarbij zelf niets in te brengen hebben. Terwijl de
persoonlijke foto's door de 1-uur services met het grootste gemak in omvang
zijn toegenomen, wordt de publieke foto door het copyright onmogelijk gemaakt.
De prijzen die fotobureaus rekenen voor een foto voor documentair gebruik zijn
vaak al fl.150,- per stuk. Daar kan je dan niks mee doen.
.

.
-
Het is een volstrekt schizofrene situatie. Je kunt bij instellingen geen
videokopieën krijgen, terwijl je wel gratis van de TV kunt tapen. Het is
een raadsel waarom omroepen niet voor weinig geld hun programma's op video
uitbrengen. Er zijn allerlei eigendomsrestricties en ficties over geld dat
programma's op zouden kunnen leveren, waardoor dingen op de planken blijven
liggen. Wij zijn afgesneden van een groot deel van de eigen cultuur en dat
waren we al gewend van de musea die maar 5% van hun collectie laten zien.
Curatoren, en daar val ik ook onder, zijn gevangenisbewaarders, die af toe wat
van hun bajesklanten laten luchten. We leven nog steeds in de 18de eeuw: Er
worden nog steeds keuzen gemaakt door anderen voor ons. De makers moeten net zo
schizofreen zijn, ze moeten voor hun bestaan het eigen copyright verdedigen,
terwijl ze het copyright van anderen moeten ondergraven om compilaties te
kunnen maken. De economie kan in dit bestel niet toegeven dat het oninteressant
is dat één iemand de maker is. Door alle tijden heen zijn
cultuurprodukten toch voor een groot deel compilaties en herconfiguraties van
eerdere uitingen. Langzaam zie je wel dat er een proliferatie plaatsvindt, een
demassificatie van de media. We gaan van een zaaicultuur (broad casting) naar
een individueel geplante pootcultuur (narrow casting).
-
Denk je dat er een toenemende scepsis te bespeuren valt bij de huidige
bewegingen over de overweldigende opslagmogelijkheden?
-
Naarmate het gemakkelijker en technisch beter is geworden, is het aantal mensen
dat gebeurtenissen registreert zo toegenomen dat het moment zelf eronder
verdampt, er blijft niets meer over van het ding zelf. De enscenering dient
voor de registratie ervan. Het heeft te maken met de sacrale handelingen die je
moet verrichten om in de media terecht te komen. Je moet iets raars doen, een
brood van 20 meter aanbieden, met een lijn aan een toren gaan hangen, om je
bericht over een bepaalde misstand in de pers te krijgen. Latere generaties
zullen zich doodlachen hoe dat functioneerde. De informatie op zich is niet van
belang, er moet iets afwijkends worden opgevoerd. Deze ceremonies zijn zo diep
geworteld dat ze ook gebruikt worden als men zich niet direct tot die media
richt. Je moet het vergelijken met andere culturen die dansen hebben voor het
uitbannen van het kwaad. De wijze van demonstreren, plekken waar borden worden
opgehangen, het besmeren met verf zien wij alleen niet als volkscultuur.
-
Er waren in de jaren zestig niet zoveel fotografen. Nu heeft iedereen een
camera bij zich. De registratie-angst die er bij sommige activisten is, vind ik
irrationeel en ijdel, kijk eens hoe belangrijk ik ben. Het gaat haast
nooit om angst voor een Berufsverbot. Wel speelt het natuurlijk bij het
registreren van strafbare handelingen. Het aanvallen van de mensen die je
registreren hoort bij het uiten van de agressiviteit. Velen associëren het
onbewust met het wegnemen van je ziel, alhoewel dat per cultuur verschilt. Het
rare is dus dat de hoeveelheid apparaten is toegenomen, terwijl de beperkingen
steeds groter worden. Met het goedkoper worden van de registratiemogelijkheden
verdwijnt de reden om het te doen.
.

.
-
Net als andere archieven is het IISG niet van harte begonnen met het
verzamelen van materiaal uit de jaren zestig en later. Waarom zijn de archieven
nog steeds bezig met de periode voor de Tweede Wereldoorlog?
-
De culturele bewaarinstellingen zoals musea, archieven en bibliotheken zijn
altijd gebaseerd op bestaande indelingen, thematisch en geografisch. Ze houden
zich bezig met het indikken van het historisch materiaal volgens conventionele
criteria. Als de maatschappij verandert zijn die gebieden niet meer zo in te
delen en ontstaan er nieuwe fenomenen die niet in het beleid passen, dus wordt
er niet verzameld. Ik wilde op de universiteit een afdeling die niet gebonden
was aan disciplines en zich richtte op de nieuwste fenomenen. In de rijke jaren
zeventig en begin tachtig heeft dat gefunctioneerd. Maar omdat mijn afdeling in
de UB niet binnen de heersende opdeling viel, was hij de eerste die tijdens de
bezuinigingsronde sneuvelde. Terwijl allerlei historische afdelingen
instandgehouden werden, werd het actualiteit- en toekomstgerichte afgeknepen.
Nadat mijn collectie was overgedaan aan het IISG, herhaalt zich daar het
probleem. Sociale geschiedenis is een te brede term voor dat instituut en
`internationaal' is ook wat overdreven. Men wil zich onder druk van bezuiniging
beperken tot wat ik de socialistische geschiedenis zou noemen. Internationaal
zijn is een probleem voor een instelling die enkel nationaal gefinancierd
wordt. Waarom zou de Nederlandse regering betalen voor het veiligstellen van
video's uit Argentinië?
-
De jaren zestig vertegenwoordigen in het beeld dat wij hebben van de
twintigste eeuw een cruciale fase van verandering. Verwacht je dat er een
instelling zal komen die zich daar apart op toelegt?
-
-
Al die documenten van en over een tijdperk, toegankelijk gemaakt door lijsten,
kaartenbakken, computercatalogi, vormen tezamen met materiële
voorzieningen als blikken, mappen, dozen en kasten en allerhande leesapparatuur
een `tijdmachine'. Latere generaties zullen hier hun interpretatie van hun
verleden produceren en die weer toevoegen aan de wassende informatiestroom die
in een onoverzienbare oceaan uitvloeit. De primaire informatiebronnen van een
tijd zelf zijn altijd het belangrijkste. Beschouwingen naderhand zeggen vaak
meer over de tijd waarin die geschreven zijn dan over de tijd waarover ze
handelen. Er is vooral afstand, distantie nodig om een tijdsbeeld samen te
vatten, te verhalen, wat geschiedenis toch is. Meestal is dat afstand in tijd,
soms afstand doordat een buitenstaander een verfrissende blik heeft. Verwarrend
is vooral de periode kort na wat als een apart tijdperk gezien wordt, het
obligate terugblikken, 10 jaar, 25 jaar geleden. Iedereen schijnt moeiteloos,
met minimale raadpleging van primaire bronnen, over dat wat toch zelf
meegemaakt is, of waarover een kennis zo leuk weet te vertellen, te kunnen
schrijven. Een golf van oppervlakkige beschouwingen staat ons dus nu wat
betreft de zestiger jaren te wachten.
-
Wat betreft het verzamelen over de jaren zestig zijn er bijvoorbeeld de
Amerikaanse universiteitsbibliotheken met een tiental special collection
departments, het BDIC in Nanterre, Biblioteka Feltrinelli in Milaan en
Libri Prohibiti in Praag. Er zijn meer gespecialiseerde collecties op het
gebied van popcultuur, vrouwenbeweging en vredesbewegingen. Op het ogenblik
zijn er vele kleine archieven- en documentatiecentra. We hebben recentelijk
onderzoek daarnaar gedaan en kwamen tot een schatting van 5000 archieven van
enige omvang en betekenis. (Noot_3)
.

.
-
In begin jaren zeventig kwamen er al ideeën op over het universeel
beschikbaar moeten zijn van informatie, die een directe link hadden met de
underground zoals The Whole Earth Catalogue en bladen als Radical
Software. Op de computernetwerken of onderdelen daarvan wordt vaak wel
bewaard, maar zonder dat er goede plannen zijn voor de
lange-termijn-conservering van het materiaal. Het feit dat sommige documenten
massaal verspreid worden over het Net, betekent nog niet dat ze later massaal
worden teruggevonden. Dat geldt voor de blokdrukbijbels uit de late
Middeleeuwen tot aan de pulpliteratuur van de dag van vandaag. Dit is de reden
voor een nieuw project, voor een Wide Area Archive & Library (WAAL) bij het
IISG. Bedoeling is een deel van de informatie die op het Net beschikbaar is en
relevant is voor de sociale geschiedenis blijvend te bewaren. Het netwerk dat
als eerste in aanmerking komt is de Association for Progressive Communication
(APC) en zijn voorlopers vanaf het ontstaan ervan in 1984. Het nu gekozen
opslagmedium is CD-ROM, zonder dat hier per se een handelseditie van
verschijnt. Conserveren betekent niet domweg downloaden van gigabytes aan
informatie op een wat langer houdbare drager, het betekent ook het vinden van
oplossingen voor de ontsluiting van honderdduizenden berichten, opdat de visser
op deze informatieoceaan ook wat eetbaars in z'n netten weet te vangen. De nu
bestaande gereedschappen als archie, gopher en veronica zijn bij deze omvang
onvoldoende. Het gaat erom de traditionele methoden voor ontsluiting van
informatie, middels automatische en semi-automatische methoden, toe te passen op deze enorme digitale
informatiebestanden. Daarnaast zetten we een archief op van electronische
documenten over het conflict in voormalig Joegoslavië, waarvan het de
bedoeling is het op CD-ROM uit te brengen. Op welke drager de ene generatie
uiteindelijk haar informatie overdraagt aan de volgende, doet niet meer ter
zake. We verzamelen niet langer de drager, kleitabletten, boeken of floppies,
maar de informatie.
-
Noot_1 Zie: Jongeren en eigen pers, 1944-1990, iisg Research paper 1992. Terug
-
-
Noot_2 Tjebbe van Tijen, `A context for collecting new media', in: Next Five Minutes
Video Catalogue, iisg Working Paper 21, Amsterdam 1993. Terug
-
-
Noot_3 catoe-project, Cataloging and Archiving the Other Europe, een vervolg op Europe
Against the Current database, verkrijgbaar bij het IISG, Cruquiusweg 31, 1019 AT Amsterdam, tel. +31 20 6685866, fax +31 20 6654181 Terug
..
Back to Title Page   |  
Table of Contents   |  
MM Magazine   |  
Mediamatic Home