 |
I
Als de schemer inzet formeert zich de gedachte in het landschap. Een windvlaag dwarrelt in een boom die alleen staat in het veen, een wolk van vogeltjes dwaalt omlaag over een zandpad naar de haag bij het beekje met gekwetter en gemurmel sluiten aaneen en opeens: een blauwe reiger, schokkerig opvliegend uit het nergens van een slootrand richting donkere zij van de hemel, over de weg, over de weide, over het veen, nergens naar toe, naar de bossen misschien. Het denkbeeld is tot stand gebracht. Nu wordt het nacht.
Alleen vanuit een ooghoek zie ik het nog, aan de buitenrand van mijn gezichtsveld. Dag na dag laadt het zich op, gebeurt het, en hoe ouder het landschap hoe sterker het denkbeeld, maar ik ben zelden meer aanwezig, zelden voldoende opengescheurd om het te registreren. Vroeger, ten tijde van een wanhoop die iedere korst menselijkheid van mij af had gebroken, zag ik het vaker, zelfs boven een wei in het stadspark, zelfs in de wolkenlucht achter een dakrand. Overgave aan de goden. Het geloof van mijn opvoeding was ik al kwijt toen.
 |
 |
 |
 |

|
Er bestaat een medische techniek om met behulp van geluidsgolven - frequentie Radio Schevingen - elektrische impulsen in hersenbanen zichtbaar te maken op een beeldscherm. Het hoofd verschijnt als blauwige waas en daarin flitsen lichtsporen op zodra een zintuiglijke ervaring wordt verwerkt, een gedachte zich schakelt, een signaal naar een spier wordt verzonden. De route van de reiger over het schemerland is als dat lichtspoor in de blauwe schedel van het geluidsbeeld: binnen het landschap zijn vogels of dieren de impulsen, de vegetatieve elementen zijn de neuronen, het geluid (de hoorbaarheid van het geluid in de stilte) het teken dat er een gedachte nadert, langskomt. Het zwijgen is de frequentie waarop je in het denkproces van het landschap kunt schouwen.
 |
 |

Schraap de mens rond je weg en treedt binnen. Daarom lopen wandelaars dagtochten van veertig kilometer met zware bepakking om dan, net voor aankomst bij de overnachtingsplek, voldoende stukgebeukt, een van de elementen te worden in de gedachte die het landschap zich die avond vormt. De zelfbewuste mens doet er niet toe op deze tijdschaal, bij deze traagheid, daarom is vertwijfeling zo'n ideaal instrument om deze kennis deelachtig te worden: pas als je weet dat je niets bent, is er ruimte in je voor dit geluk. Pas als je van vermoeidheid en pijn bent vergeten dat je iets voorstelde. Of als je het niet meer nodig hebt nog iemand te zijn.
 |
 |
II
Waar treed je in een landschap binnen? Achter de voordeur? Zelden. Op vakantie in gebieden die ik niet eerder bezocht heb duurt het een week soms, afhankelijk van de mate van vermoeidheid voordat ik afreisde, afhankelijk ook van de overweldigende kracht van het landschap dat ik bezoek. Aanvankelijk lijkt een onbekende streek op vlagen uit bossen, heuvels, kusten, rivieren, weiden, akkers, paadjes, luchten die ik van elders ken, die ik me herinner zodra ik de stad verlaat. De stad zelf is een extern geheugen, daar hoef ik me de plekken niet te herinneren waar mijn bestaan raakt aan de buitenwereld, of waar het buiten een plaats heeft veroverd in het beperkte opslagvermogen van mijn geheugen. In een stad is een kort geheugen genoeg: de routes door de straten, de punten waarop ik me oriënteer - een boekwinkel hier, een café daar, een adres waar ik ooit een vriendin heb gehad, of werk heb gevonden, of waar een kennis woont - die vormen tezamen het lange geheugen dat, altijd aanwezig, niet boven de onderrand van het bewustzijn uit hoeft te komen om deel te zijn van mijn wereld. Maar buiten de stad, buiten de natuurparken rondom de stad, buiten het areaal van mijn leven: vrijwel onmiddellijk, zij het hortend, begint het domein van mijn lange geheugen zich weer te ontvouwen. Ik zou mijn autobiografie alleen kunnen schrijven ver weg van waar ik geleefd heb.
 |
 |
 |
 |

|
 |
Het helpt om een nachtje te slapen in het onbekende landschap, en beter nog is een paar nachten slapen, een week minimaal. Hoe vaak moet je een paadje aflopen voordat je ziet hoeveel ruimte er rondom ligt? Een bekende methode om toegang te krijgen tot de onbekende wereld van je verblijf is verliefd te worden op iemand die in dat landschap thuis hoort, er woont of er in elk geval al veel langer verblijft dan jijzelf. Verliefdheid maakt open. Nog een beproefde methode is voor de tweede maal een gebied te bezoeken. De herkenning van herinneringen voorkomt dat zich allerlei delen uit andere landschappen beginnen te mengen door het beeld dat je probeert te verwerven. Dat vage licht onder een bomenlaan, die geur van kamperfoelie en het gezoem van bijen of gefladder van grote vogels hoog tussen de takken: dat heb je hier meegemaakt, het is terecht dat je die fragmenten uit je geheugen ophaalt nu je dit pad afloopt, die bloemen ruikt, die bezigheden van insecten en dieren constateert. Vertrouwdheid maakt weerstand tegen het onalledaagse onnodig, en weer ben je open voor je er erg in hebt.
 |
 |

|
 |
 |
Ik herinner me een tocht van een maand door Hongarije, een land waar niks aan is, platte, lelijke akkergronden, een saaie rivier, lelijke dorpen, geen numineuze heuvel, geen subliem uitzicht te bekennen. Na drie weken vroeg ik me nog af of hier ooit iets gebeurde. Ik liep de poesta op, Hongaars landschap bij uitstek, leeg en heet en overbodig, zelfs toen een kudde paarden langs draafde. Ik meende in de verte een wittige vlek te ontwaren en na zo'n drie kwartier lopen zag ik wat het was: rare, bonkige, witte oerrunderen met dikke bobbels op en onder hun nek en met enorme heupen en dijen. De Hongaarse ervaring? Ik was niet geheel overtuigd. Terugkerend in het dorp vol dronken dorpelingen waar ik kampeerde, zag ik langs de wegrand een circustent staan en ging kijken wat die bevatte: schapen, heel normale schapen, maar met kaarsrechte, in spiralen gedraaide hoorns op hun kop, dicht opeengepakt, mij licht verwonderd opnemend zoals ik hen stond aan te staren in opperste verbazing. Op dat moment was ik gearriveerd.
 |

|
Wanneer je het bekende zoekt, of wanneer je het bekende toelaat in je ervaring bij een bezoek aan wat je niet kent, zul je nooit zien wat er onbekend is in het vreemde land dat je hebt opgezocht. Pas als het zich met de nodige kracht aan je opdringt, kun je het geluk hebben te barsten en te zien wat je zelf niet bent. De stad is het geheugen van de mens, maar het landschap is het bewustzijn van de natuur. En voor een bewustzijn is alles altijd nieuw. Pas als je je herinneringen kwijtraakt krijg je er deel aan. Je particuliere bewustzijn, dat deel van jezelf dat onpersoonlijk is, voorbij de grenzen van je ik ligt, kan er contact mee maken. Daar, op dat punt in ruimte en tijd, word jij nieuw voor het landschap. Als herboren, in elk geval opgefrist en verbeterd keer je vervolgens terug in de vertrouwdheid van de stedelijke omgeving. Ik weet niet wat er gebeurt als je voortdurend in open verbinding staat met dit buiten. Wat is de zigeuner-ervaring? Of die van de daklozen? Hoe houden zij dat vol, zonder vaste woonplaats, altijd uitgeleverd aan de elementen, wat weten zij? Ik weet het niet. Ik weet evenmin hoe dieren het, onbekommerd als ze lijken, doorstaan, of nee, zo'n inspanning schijnt het niet te kosten, het is eerder een leven zonder filosofie, nihilisme door vergeetachtigheid. Indien het heilige bestaat, moet het dit zijn.
 |
 |
 |
|