Previews Paul Groot - Het Twintigste-Eeuwse Lichaam NL/GB - Review Calendar Up to MM Magazine | On to Review Index | UpUp to MM Home
Paul Groot
A R J E N M U L D E R
Het Twintigste-Eeuwse Lichaam
(The Twentieth Century Body)
Uitgeverij Duizend & Een,
Amsterdam 1996,
ISBN 90 71346 23 4,
Nederlands tekst, 240 p.
Arjen Mulder, als bioloog wetenschappelijk opgeleid, is een trotse essayist die zijn aandacht niet zelden op het domein van de beeldende kunst richt. Met zijn hang-ups, zijn biologische begrippenapparaat, zijn onbezorgde stijl is hij een lastige klant. Zijn toch bepaald fijngevoelige antenne voor de uitdrukkingen van een geavanceerde vormentaal is aan de subtiliteiten van een minder voor de hand liggende esthetica niet echt besteed. In een niet van veel 'goede smaak' getuigende stijl bekijkt hij voorwerpen van kunst als betrof het producten van een natuurlijke rangorde.Menigmaal heb ik gedacht dat Mulder maar liever zijn mond over de beeldende kunst moest houden. Wat schiet je met al die biologisch geïnspireerde metaforen nu eigenlijk op? Maar Het twintigste-eeuwse lichaam, een essaybundel over het lichaam in onze eeuw, heeft mij van deze scepsis genezen. Het gaat niet langer over een gemankeerde sensibiliteit van Mulder, het is eenvoudigweg de beeldende kunst van deze eeuw - het modernisme dus - die, ondanks de schijn van het tegendeel, heeft gefaald. Want een sensibel waarnemer als Mulder onttrekt het hedendaagse lichaam als het ware aan de claims van de beeldende kunst en brengt ze in een 'biologische esthetica' onder. Als een object dat als geen ander door de beeldende kust is gemaltraiteerd, gefêteerd, bespot en heen en weer geworpen tussen bewondering en afschuw wordt het lichaam hier liefdevol gerehabiliteerd en in een glorieuze toekomst binnengeleid.
Mulder spreekt een geheel eigen taal, nergens heb je het gevoel dat hij wil epateren met het postmoderne jargon. Terwijl hij toch voortdurend citeert en samenvat. Maar dat irriteert niet omdat hij altijd met zijn eigen stijl samenvalt, nooit de geciteerde schrijver er door heen laat kieren. Want nergens is hij niet zichzelf. De opzet van zijn bundel, die vooral een essaybundel genoemd wil worden, maar veel meer als een kunsttheorie uitpakt, zit vol met samenvattingen en expliciete verwijzingen, maar ieder zin is helemaal des Mulders. Dat wil zeggen een idiosyncratische opzet die de waarheid van het leven en het lichaam in een essaybundel wil samenvatten. Essays echter die je niet fragmentarisch moet lezen om de sfeer te proeven, inzichten te krijgen, de schrijver te onderzoeken. Dit boek wil van A tot Z gelezen worden, fragmenten scannen is uit den boze.
Als geëngageerde waarnemer blikt Mulder in Het twintigste- eeuwse lichaam op basis van een fictief historiserend scenario vanuit de 21ste eeuw op de twintigste-eeuwse cultuur terug. Het is een media-cultureel-didactisch traktaat, volgestouwd met een onafzienbare reeks ongebreidelde waarnemingen die iedere lezer dreigt te verpletteren. Een holistische poging alles met alles in verband te brengen, de wereldorde zoals we die kennen onderuit te halen en de lezer voor te bereiden op het menszijn in de komende eeuwen. Waarbij je dus niet langer met het jouw bekende lichaam op een stoel voor de TV hangt, onderuitgezakt een boek zit te lezen, of vermoeid de zalen van een buitenlands museum nog even snel afraffelt, maar bevrijd van zwaartekracht zonder spieren en botten deelhebt aan het ware leven. Dat weinigen nog maar uit eigen waarneming kennen, maar dat niet onbekend is.
Zoals wel blijkt uit de meest verlichte opmerking in Arjen Mulders toch al vol met vrolijke wetenschap gevulde bundel. Mulder citeert Wubbo Ockels, de enige Nederlander met ervaring als astronaut betrekkelijk in het begin van de bundel, om te tonen hoe het lichaam op de toestand van langdurige gewichtloosheid reageert. Op zijn reis in het heelal met de space shuttle in 1985 ontdekte hij dat er voor ons levende organisme daarboven geen botten en spieren nodig zijn: Dus worden die botten en spierweefsels daar afgebroken. Zo gaat dat met leven. Hoe postmodern: een astronaut die een media-theorie geraamte geeft!
Het boek is verplichte kost, niet alleen voor de kunstliefhebber, maar voor iedereen die de druk van het fin de siècle voelt. Mulder combineert een streng hiërarchisch, Darwiniaans, biochemisch model met een frivole mediatheorie die ons van de schaduw van de vorige eeuwwende bevrijdt. Want waar kunst en cultuur toen een melancholieke toon aansloegen, laat Mulder zien dat onze tijd vibreert van een ongehoord optimisme. Want het lichaam zoals we dat kennen mag dan wel langzamerhand zijn afgedankt, je hoeft er niet aan te twijfelen dat in de nabije toekomst grensoverschrijdende hulpstukken er nieuwe dimensies aan zullen geven. En dat die diepgaand zullen zijn extrapoleert Mulder uit de mate waarin in onze eeuw het twintigste-eeuwse lichaam door de media is veranderd. Auto, foto, trein, film, radio, TV, video en computer zijn de uitvindingen die ons achtereenvolgens een natuurlijk, ideologisch, technisch en virtueel lichaam hebben opgedrongen. Maar die ontwikkelingen vallen in het niet in bij wat ons nog te wachten staat. Mulder gebruikt het begrip 'buitenmediaal' (een soort variant op de paradigmatische transformatie die in de wetenschapstheorie wordt gehanteerd) als de katalysator die ons van het ene medium in het andere doet overgaan. Want wees gewaarschuwd, de media zijn echte organen van ons lichaam geworden, die, al dan niet bewust ervaren, hun artificiële intelligentie diep in ons lichaam hebben geplaatst. Kortom, de media maken de mens, en aangezien de media heel diep in de mens hebben ingegrepen, is het hoog tijd voor een evaluatie.
Mulder is begiftigd met een subtiel gevoel voor humor. Intellectuele veelvraat en wandelende database aan informatie die hij is, probeert hij ons een theorie als een essay aan te praten. Waarbij hij heel systematisch en structureel de kachel aanmaakt met de traditionele esthetica. Als Mulder de lezer op zijn onnavolgbare manier van associëren en metaforiseren uitlegt hoe de mens eigenlijk in elkaar steekt, blijft er van het traditionele denken over de kunst weinig over. Want wat moet je nu met een individuele kunstervaring als je eenmaal in de gaten hebt dat de biologische condities onze esthetische ervaringen mogelijk maken. Wat zijn die door ons gekoesterde gevoelens eigenlijk waard? Zijn het iets anders dan door zinsbegoochelingen en verkeerde programmering afgedwongen condities? Als we met Mulder gaan begrijpen wat de schepping met de mens voorheeft, of liever, wat de genen met de mens voor hebben, dan blijkt pas hoe geconditioneerd en beperkend onze esthetische ervaringen eigenlijk zijn.
Als er tussen kunst en media (Mulders grootste fascinatie) een band is, dan wel in de blijvende fascinatie om het lichaam in beeld te brengen. In de vorm van een biologische transparantie maar net zo goed als afbeelding die functioneert op foto of video, op film of op de computer in Cyberspace. Om het lichaam een nieuw aanzicht te geven goochelt Mulder met woorden en begrippen zoals dat in de postmoderne esthetiek gebruikelijk is. Maar anders dan veel andere bevlogen essayisten gaat hij eigenlijk nooit in de fout. Dat komt omdat zijn stijl onaantastbaar is. Hij is een Tommy Cooper in een science fiction show en laat geen steek vallen. Hij gaat aan de haal met de modieuze Duitse theorie en Franse mediatheorie, zowel met die van 'ingenieurs' als Virilio en hun hard-ware als met de theorievorming van 'softe' denkers als Baudrillard, maar houdt alles in eigen hand. Hij brengt met veel gemak Hollywood in verband met de literaire sfeer, om vervolgens gevoelige opmerkingen te maken over de freaks op de foto's van Diana Arbus. Of over dat arme, tot zelfmoord gedwongen jochie uit Roberto Rosselini's film Germania, Anno Zero uit 1947. En wat voor een zelfmoord: met zijn dood is, volgens Mulder de klassieke cinema ten einde, is de tijd van de grote verhalen, de grote bekken, definitief voorbij.
Het is duidelijk, Mulder schuwt de overdrijving niet. Daarin doet hij wel even denken aan een theoreticus als Frank Reijnders. Maar waar Reijnders nog werkt met begrippen, connotaties en ideeën die ons bekend zijn uit de kunstgeschiedenis, onderzoekt en analyseert Mulder koel en analytisch, zonder veel cultureel historisch besef. Hij bouwt een nieuw mensbegrip, heeft een visie op de mens waarin nauwelijks plaats is voor oudere noties, zeker niet die van de 'mens' in humanistische zin. Vanuit hedendaagse en toekomstige media gezien is de mens en zijn omgeving op weg zich als een programmeerbaar neuraal netwerk te ontwikkelen.
Het is de mooiste en meest overtuigende theorie die ik de laatste tijd onder ogen heb gehad. Een kunsttheorie inderdaad, en des te merkwaardiger, daar Mulder nauwelijks oog heeft voor het autonome kunstobject, voor de mooie vormen. Op een enkele uitzondering na (hij blijkt het pittoreske te herkennen) moeten film, boeken en andere moderne media zijn betoog staven. Het lichaam in de kunst lijkt nauwelijks te bestaan, de bizarre vrouwenreeks van Picasso blijft onvermeld, de futuristische machine-mens onderbelicht. De freaks op de foto's van Diana Arbus trekken zijn aandacht, hij schrijft heel mooi over de (al te) menselijke trekken van Arnold Schwarzenegger, geen film die zijn aandacht zo vasthoudt als Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssey. En, veelvraat die hij is, roept hij zowel William Burroughs als Chantal Akerman tot getuige. En natuurlijk die bizarre intellectuele freak John C. Lilly. Een curieuze wetenschapper die in zijn experimenten maar liefst vier positieve, een neutrale en vier negatieve bewustzijnsniveaus in de menselijke biocomputer ontdekte.
Daar is de term gevallen. Ons lichaam zal, dankzij de steeds versnellende ontwikkeling van de media, in een geheel andere vorm overgaan. Van een overbodige, energieslurpende identiteit, die alleen maar interessant is om de zwaartekracht wat weerwerk te geven, naar een die in het Universum kan functioneren. Het lichaam is toe aan een grootse metamorfose. Of het daarbij het model van de kevers (in plaats van de botten binnen, het schild buiten) of misschien die van de waterdieren zal overnemen is de vraag. Maar waar in de traditionele media- en kunsttheorie het idee van een lichaam met spieren en botten functioneert, wijst Mulder het lichaam een nieuwe weg. Een bestaan als biocomputer in een gewicht- en zwaartekrachtloze trektocht door het Universum zonder benen en spieren, al communicerend met broeder dolfijn en zuster walvis. Wie wil weten langs welke wegen die zich precies zal afspelen, moet Mulder zeker aanschaffen. Ik zal dat geheim hier niet verklappen.
Previews Paul Groot - Het Twintigste-Eeuwse Lichaam NL/GB - Review Calendar Up to MM Magazine | On to Review Index | UpUp to MM Home
Last modified by ZZL on 29-01-1997